Izebel uit Tyrus ontmoet Freek
F= Freek, een hedendaagse jongere
I = Izebel, een dochter van een Griekse vrouw
F: Jij komt toch uit Tyrus, waar ligt dat ergens in Israël?
I: Dat ligt helemaal niet in Israël, maar Libanon.
F: Wat vertel je me nou, ik had gehoord dat Jezus jou had genezen, maar is hij dan ooit in het buitenland geweest?
I: Dat klopt.
F: Dat hij jou heeft genezen of dat die in het buitenland is geweest?
I: Allebei.
F: Laten we even bij het begin beginnen, wat deed hij in het buitenland?
I: Hij was op een soort vakantie, denk ik, hij had even wat rust nodig.
F: En daar heeft hij jou genezen? Wat had je eigenlijk?
I: Ik had hele erge angsten, ik durfde bijna niets meer, niet meer de straat op, niet meer te eten, niet meer te slapen, ik was overal bang voor, dat had zulke vreselijke vormen aangenomen, dat ze zelfs vreesden voor mijn leven, mijn moeder was radeloos en ze hoorde op een of andere manier dat Jezus in de buurt was.
F: Logisch dat ze naar hem toe ging, hij was toch een bekende genezer in die tijd!
I: Nou zo logisch was dat niet, je hebt het wel over een tijd dat Joden en niet-Joden niet zomaar met elkaar omgingen .
F: Dat is helaas niet alleen iets van die tijd …, maar daar trok Jezus zich toch zeker niets van aan, buitenlanders of geen buitenlanders?
I: Dat zou je denken, blijkbaar moest er een knop bij hem om en dat heb ik aan mijn moeder te danken! Ze liet zich niet wegsturen, zelfs niet toen Jezus haar ook nog vergeleek met een hondje.
F: Met een wat?.
I: Hij zei dat het brood voor de kinderen van zijn volk bestemd was en niet voor de hondjes en mijn moeder antwoordde doodleuk, dat er wel eens wat kruimels van de tafel vallen. Die opmerking trof Jezus, denk ik en hij verklaarde mij genezen. Toen mijn moeder thuis kwam, lag ik rustig te slapen!

Geen opmerkingen:
Een reactie posten